5 behoeften en 6 gedragsfactoren

Ieder mens heeft behoefte aan erbij horen, gehechtheid, een identiteit, bezig zijn en comfort. De behoeften zijn universeel, maar de exacte invulling van die behoeftes is voor ieder mens anders. Daarnaast zijn er zes factoren die van invloed zijn op het gedrag en functioneren van iemand. De behoeften en gedragsfactoren kom je ook wel eens tegen onder de term 'verrijkt model'.

De vijf universele behoeften

Comfort (troost en bemoediging): De behoefte aan warmte, tederheid en troost van anderen. Vooral wanneer iemand zich alleen, onveilig of angstig voelt.

Identiteit: De behoefte om te weten wie je bent en een goed gevoel te hebben over jezelf. En een gevoel van continuïteit met het verleden.

Gehechtheid: De behoefte om je veilig en geborgen te voelen bij andere mensen. Het gaat erom veilige en vertrouwde relaties te hebben.

Bezig zijn (iets om handen hebben): De behoefte om onderdeel uit te maken van het leven en je nuttig te kunnen voelen.

Erbij horen: De behoefte om onderdeel uit te maken van een groep, van een sociale omgeving en je welkom te voelen.

Bron: Trimbos-instituut (januari 2014).

De zes gedragsfactoren

Hieronder hebben we de factoren beschreven voor iemand met dementie.

Persoonlijkheid: Wat voor persoon heb je voor je? Is degene met dementie een rustig, druk, ongeduldig, vriendelijk, ondernemend of actief persoon? En hoe gaat hij met zijn ziekte om? Als je een beeld hebt van iemands eigenschappen, kun je beter inschatten wat belangrijk is en hoe iemand in bepaalde situaties zal reageren.

Gezondheid en lichamelijke conditie: Hoe is het met de gezondheid en lichamelijke conditie? Heeft hij pijn of jeuk? Is er sprake van een infectie, obstipatie? Hoe is het met het gehoor en zijn gezichtsvermogen? Zit de stoel waar iemand in zit wel lekker? Gebruikt degene met dementie medicatie en heeft deze bijwerkingen? Als je hier aandacht voor hebt kun je soms begrijpen waarom iemand zich op een bepaalde manier gedraagt en kun jij proberen ongemakken weg te nemen. Ook kun je zo rekening houden met wat iemand wel en niet kan gezien zijn gezondheid.

Levensloop: Wat heeft iemand met dementie meegemaakt in zijn leven? Is hij bijvoorbeeld getrouwd, gescheiden, heeft hij kinderen, heeft hij gestudeerd, wat was zijn beroep, waar heeft hij gewoond, wat zijn zijn gewoontes? Zo gaat degene met dementie voor jou meer leven als persoon. Dan weet je waar je het juist wel of niet over moet hebben als je iemand gerust wilt stellen of als je een praatje wilt maken. En je weet iemand gewend is zijn dag in te delen.

Fysieke omgeving: Hoe woont iemand, wat voor soort huis en inrichting heeft hij, is het een vertrouwde omgeving? Zijn er teveel of te weinig prikkels in de omgeving (denk aan geluid, licht)? Zijn er vaste plaatsen voor spullen, is er structuur in de ruimte waar iemand verblijft, bijvoorbeeld bij een dagbehandeling of huiskamer.

Sociale omgeving: Met wie heeft degene met dementie veel contact, bijvoorbeeld familie of vrienden? Hoe verloopt dit contact? En hoe verloopt het contact tussen jou en degene met dementie? Is er sprake van bijvoorbeeld een confronterende of zorgende benadering? Zijn er de laatste tijd ingrijpende dingen gebeurd?

Hersenschade: Van welke vorm van dementie is er sprake? Welke problemen heeft iemand en wat gaat nog wel en wat niet meer? Als je weet wat iemand nog wel en niet meer kan, kun je het gedrag van diegene beter begrijpen en weet je beter hoe je hem of haar kunt ondersteunen.

Bron: Trimbos-instituut (januari 2014)